Terug               Kunnen/Kennen         Menu inhoud

Wanneer gebruiken we deze werkwoorden?

"Kunnen" als je iets met je handen kan maken.

Bijvoorbeeld: Hij kan een auto maken. Hij kon een auto maken. Hij heeft het gekund.

"Kennen" als je iets weet. Je hebt iets geleerd en je weet het nu .

Bijvoorbeeld: Hij kent zijn les goed. Hij kende zijn les goed. Hij heeft zijn les goed gekend.

 

Klik de oefening aan !

Oefening A bestaat uit acht zinnen.

Oefening B bestaat uit acht zinnen.

Klik het juiste woord aan !

Maak je een fout, dan kom je weer op deze pagina terug.

Lees dan nog een keer wat in het kader staat en klik weer op de oefening.

Oefening A                  Oefening B