Terug            Tegenwoordige tijd      Menu inhoud

Wat is de tegenwoordige tijd? Nu, we hebben het over "wat nu gebeurt".

Hoe maak je de tegenwoordige tijd? We gaan uit van de "stam van het werkwoord", dit is de ik-vorm.

Voorbeeld : wandelen   ik wandel, fietsen   ik fiets, werken   ik werk, wonen   ik woon enzovoort.

Vervoeging van het werkwoord:

 
werken

ik werk

je werkt

jij werkt

u werkt

hij werkt

zij werkt

het werkt

wij werken

jullie werken

ze werken

wonen

ik woon

je woont

jij woont

u woont

hij woont

zij woont

het woont

wij wo.nen

jullie wo.nen

ze wo.nen

pakken

ik pak

je pakt

jij pakt

u pakt

hij pakt

zij pakt

het pakt

wij pakken

jullie pakken

ze pakken

gaan

ik ga

je gaat

jij gaat

u gaat

hij gaat

zij gaat

het gaat

wij gaan

jullie gaan

ze gaan

 

Klik de oefening aan !

Oefening A bestaat uit acht zinnen.

Oefening B bestaat uit acht zinnen.

Klik het werkwoord aan !

Maak je een fout, dan kom je weer op deze pagina terug.

Lees dan nog een keer wat in het kader staat en klik weer op de oefening.

Oefening A

 

Let op bij een vraag! Bij u, hij, zij, het achter de stam komt dezelfde vervoeging. Maar bij je en jij geen t.

Komt u morgen ?   Komt hij morgen ?   Komt zij morgen ?   Komt het morgen ?   Kom je morgen ?

Maar: Komt je broer morgen ? Wel een t, omdat het onderwerp "je broer" is en niet "je".

Kun je op de plaats van "je" geen "jij" zetten, dan is het onderwerp geen "je".

Oefening B