Terug            Verleden tijd      Menu inhoud

Wat is de verleden tijd? Het verleden, we hebben het over "wat is gebeurd: duizend jaar geleden, drie maanden geleden of een paar seconden geleden".

Staat de verleden tijd op zich zelf los van nu, dan praten we over de onvoltooid verleden tijd.

Voorbeeld: "Ik las een boek." of  "Ik veegde de vloer."

Heeft de verleden tijd verband met nu, dan praten we over de voltooid verleden tijd.

Voorbeeld: "Ik heb een boek gelezen." of "Ik ben naar huis gegaan.

 

In de verleden tijd hebben we sterke of onregelmatige werkwoorden en zwakke of regelmatige werkwoorden.

Voorbeeld van sterke werkwoorden: Ik zwom, ik liep, ik schreef, ik ging, ik zocht, ik vond enz.

Voorbeeld van zwakke werkwoorden:  Ik maakte, ik pakte, ik miste, ik rende, ik haalde, ik voelde enz.

 

Sterke of onregelmatige werkwoorden moet je leren.

 

Bij zwakke werkwoorden maken we gebruik van:

't kofschip

Als de stam van een werkwoord in de tegenwoordige tijd eindigt op: T K F S C H P

Dan komt er in de verleden tijd enkelvoud bij de STAM + TE

En komt er in de verleden tijd meervoud bij de STAM + TEN

Eindigt de stam van een werkwoord in de tegenwoordige tijd niet op: T K F S C H P

Dan komt er in de verleden tijd enkelvoud bij de STAM + DE

En komt er in de verleden tijd meervoud bij de STAM + DEN

Voorbeeld: Ik maak (=stam)   >   ik maakte en wij maakten en ik heb gemaakt

Voorbeeld: Ik veeg (=stam)   >   ik veegde en wij veegden en ik heb geveegd

 

LET OP !:

Een v die verander in een f krijgt in het enkelvoud de en in het meervoud den achter de stam.

Bijvoorbeeld: verven - hij verfde - wij verfden

Een z die verander in een s krijgt in het enkelvoud de en in het meervoud den achter de stam.

Bijvoorbeeld: zich verbazen - hij verbaasde - wij verbaasden ons

 

Klik de oefening aan !

Oefening A bestaat uit acht zinnen.

Oefening B bestaat uit acht zinnen.

Klik het werkwoord aan !

Maak je een fout, dan kom je weer op deze pagina terug.

Lees dan nog een keer wat in het kader staat en klik weer op de oefening.

Oefening A                  Oefening B